Schuldvraag

Er is op deze blog al het een en ander gezegd over doodgaan. Omdat je te zenuwachtig was. Of misschien niet zenuwachtig genoeg. Omdat je timing kut was, je grappen was vergeten. Omdat je teveel had gezopen. Hoe dan ook klinkt steeds de conventionele wijsheid:

“Je mag nooit het publiek de schuld geven.”

Iedere beginnende comedian hoort die woorden. “Je mag nooit het publiek de schuld geven.” Meestal hoor je ze op het moment dat je ’t minst openstaat voor opbouwende kritiek. Post mortem. Net na het doodgaan. Nadat je je ziel hebt blootgelegd op het altaar van het podium en het publiek heeft gezegd: “meh…!”

“Donder op met je wijsheid. Zie je me dan niet lijden? Zie je de getormenteerde kunstenaar niet worstelen met zijn muze?”

… is wat je dan niet zegt tegen die collega comedian die verder ook niet weet wat ie moet zeggen over die acht intens ongemakkelijke minuten die jij het publiek zojuist hebt aangedaan. Maar oh, wat wringt het. Want als het niet de schuld is van het publiek, dan moet het wel aan jou liggen. Toch? Dan was je gewoon niet goed genoeg. En dat is niet makkelijk te verteren.

Maar is dat zo…? Is het publiek werkelijk altijd zo volmaakt onschuldig? Zo onaantastbaar?

Dames en heren van de jury! I submit to you: een zaal in Arnhem. “Zaal” is in dit geval puur comedy-jargon. Eigenlijk was het een volle studentenkroeg op de campus van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Een tent vol met de tegenstrijdigheden van het jong-volwassen zijn. Posters en advertenties met het thema “bier drinken is lache!” hingen naast flyers over verslavingshulp en bordjes met het verzoek om a.ub. niet onder invloed naar colleges te gaan.

Dat zijn het soort dingen dat je opvalt als je te vroeg aanwezig bent voor een optreden. Als je cool en casual aan de bar staat opgesteld maar je in je hoofd steeds die punchline herhaalt die maar niet lekker wil bekken… terwijl je het risico dat je je tekst vergeet, opweegt tegen het verlies aan prestige van een spiekbriefje… terwijl je de namen van de andere comedians probeert te herinneren en waar je ze ook alweer eerder hebt gezien… terwijl je je afvraagt wanneer je precies op moet en in welk tempo je moet drinken zodat je dan precies op tweeënhalf biertje zit…

terwijl je je afvraagt of je inmiddels nog wel zo cool en casual overkomt.

Het mag duidelijk zijn: ik ben niet graag te vroeg. Maar dit was een van mijn eerste betaalde optredens. Voor een booker met een naam. Een line-up van drie gevestigde, vakkundige comedians… en mij. Ze hadden me eerder die dag opgebeld. Ik was daar als reserve-comedian. Ik troostte me met de gedachte dat de meeste mensen daar dat niet wisten. En hoopte dat dat aan het eind van de middag nog zo zou zijn.

Laat ik zeggen dat ik niet dood ging. Doodgaan kenmerkt zich door pijnlijke stiltes en stil werd het niet. Geen moment. 

Het was nauwelijks meer echt een teleurstelling. Bij aankomst hadden we een waar drinkgelag aangetroffen. De studenten zaten luidkeels op te scheppen, te kaarten en te lachen. Ze hadden het duidelijk enorm naar hun zin. Wij moesten ze vervolgens gaan vragen of ze daar alsjeblieft mee op wilden houden, omdat wij thuis grapjes hadden bedacht en die nu graag in een microfoon wilden zeggen. Het was een simpel probleem van vraag en aanbod: wij waren gekomen om de mensen een fijne middag bezorgen. Zij bleken al voorzien. Het was alsof we halverwege een hotdog eating competition met culinaire tapas kwamen leuren. Parelhoen voor de zwijnen! 

Ik beschrijf wat volgde als “non-consensual comedy”. Entertainment tegen wil en dank. Drie van de beste comedians die je maar samen op een podium hoopt te zien, stonden elk een paar minuten lang hun zorgvuldig ontwikkeld materiaal in een zee van studentenrumoer te kieperen. Een wisselend rijtje toeschouwers stond vlak aan het podium om wat te kunnen verstaan. Soms kon je er een wat zien grinniken. Dat waren goede momenten.

Na nog geen drie kwartier sloten we ons comedy-uur af onder een zittende ovatie van onverschilligheid. Ik geloof dat ze aan de andere kant van de kroeg niet eens hebben gemerkt dat we er waren.

Nou vraag ik je: was dat nou echt mijn schuld, dat ’t daar niet ging? Was het niet een béétje de schuld van het publiek….? Als je ’t aan mij vraagt: Ja en nee.

Ja, de sfeer in die zaal was een enorme factor waarom dat optreden zo kut ging. Tuurlijk. Stand-up comedy moet van twee kanten komen. De comedian past zijn performance aan op basis van de reacties van het publiek. Het is een gesprek (hoewel een tikkeltje eenzijdig). Een dans. En hoe goed je ook bent, je kunt niet dansen met een lijk. Of ja, het kan wel, maar het ziet er echt niet uit en voor je ’t weet hebben ze de politie gebeld en laat ook maar, ik heb alweer teveel gezegd.

Soms heeft het publiek er geen zin in. Of niet meteen. De vraag, alleen, is hoe je daarmee omgaat. Als je vriendin niet “in the mood” is  – misschien heeft ze een hoop aan haar hoofd, van haar werk of zo – dan kun je d’r wel een frigide trut noemen, maar daar gaat je seksleven er op lange termijn niet van op vooruit. 

(Voor de laatste keer: Sorry Suzan. Ik had dat nooit over je mogen zeggen. Vooral niet tegen je moeder. Dat zie ik nu in.)

Want zodra je gaat denken in termen van “schuld”, dan ben je nog verder van huis. Zodra je verwijten gaat maken aan het publiek – ookal doe je het niet hardop – dan gaan ze dat voelen. I’ve been there. “Deze grap is niet kut. Jullie zijn kut.” Die stem in je hoofd die het altijd voor je opneemt. Ook als je fout zit. Vooral als je fout zit. Maar met die defensieve attitude raak je dat laatste beetje sympathie in no time kwijt.

Dus als je je soms zo voelt: laat gaan. Het is niet hun schuld. Het is ook niet jouw schuld. Er is niemand schuldig want er is immers geen misdaad gepleegd. Get over yourself. Het klikte gewoon niet tussen jullie. Het gebeurt iedereen. Succes bij optredens is soms echt als het weer voorspellen: je hebt vaak wel een idee wat ’t gaat doen maar er zijn zoveel factoren mee gemoeid dat zelfs de experts er soms flink naast zitten. Ook in de positieve zin des woords. Ik heb voor halflege zalen gestaan met mensen van middelbare leeftijd die net uit de dorpskerk kwamen… en we hadden het te gek samen. Omdat ik ze niet uit zelfbehoud al had afgeschreven als saai kutpubliek (zoals mijn eerste impuls me had ingegeven) maar ze een kans heb gegeven. Niet alleen het publiek moet zich immers open stellen. Het moet van twee kanten komen.

Tekst: Tim van ’t Hul
Foto: James de la Cloche
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s